nl‎ > ‎gedichten‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Enigszins beschouwende gedichten

In het doosje teruggelegd


Ik heb een blokkendoos gekregen en 
gewapend met zwaartekracht en vorm, 
te weten 
kubus, rechthoek, boog, pilaar, 
probeer ik vreemde bouwsels uit 
die nét niet kunnen. 

Hoe zou het zijn, 
de onderste steen boven 
te krijgen? 

Hoe bouw ik 
schoonheid of vertwijfeling? 
Tot de hemel wil ik gaan 
met mijn gebouw 

teleurgesteld stort het ineen 

en wéér rijken de blokken, 
tasten, 
zoeken de grenzen 

en soms 
als het heel rustig is 
staat daar een hoekje van een groot geheel 
dat -als het ware- 
onzichtbaar verder uitbreidt. 

Op dat moment mogen de blokken 
weer precies passend 
in het doosje teruggelegd. 

Dichten is wijzen 

 
Als iedereen vrolijk is


Als iedereen vrolijk is
gaat het kleine kind wel mee
en rammelt er lustig op los
en kraaien als,
ja als wat?

Wij groten laten ons niet
zomaar meenemen en staan
er wat verloren bij, soms,
op andere momenten willen we
wel gillend weglopen.

Weest als een kind en lach maar vrolijk mee.
Maar, wil ik wel wezen als een kind?
Misschien moet ik wel trots zijn dat ik
soms matglas ben en niet alleen maar spiegel,
zodat ik op andere momenten ook
licht kan schijnen in de duisternis.


 

Wij zijn de levenden


Wij zijn de levenden!
En surfen langs de randen van 
zeer hoge golven, 
tussen wanorde en wet
en vallen ongenadig, lachend,
brullend in de branding.

Wij zijn de levenden!
Zo vol van wind op huid en haar
en het rennen door het bos
en minnen op het mos
en heffen van het glas.
Handen als kolenschoppen 
vertellen breed het verhaal.

Wij zijn de levenden!
En hebben altijd honger en 
reiken altijd uit naar 
god-mag-weten wat,
totdat we zonder zuurstof 
op de te hoge bergtop staan, 
terwijl de te donkerblauwe 
lucht, de te arme lucht, 
het leven per ademhaling mindert.

Wij zijn de levenden
En zitten altijd op een grote schommel,
die veel te kort zijn rustpunt kent,
om daarna weer verder te gaan jagen
en in zijn voortgang weer de neergang voelt
en in de teruggang weer de klim
en we kijken en we lachen 
en we grijpen naar elkaar.

Wij zijn de levenden
Die in ons leven toch steeds moeier worden
omdat het in ons brand 
tezelfdertijd ons brandt
en hier valt niets te blussen 
want wie geblust is, is al dood
en hier valt niets te rusten
want wie rust, tja, zeer zacht.

Wij zijn de levenden.
En misschien bouwen we ons luchtkasteel
en als het zover is gaan we 
als drietrapsraket op reis 
en werpen alle trappen af 
en met een capsule zo klein, 
dat je haar niet meer ziet
komen we veel verder 
door al dat branden.


 

Een landschap


Een landschap 
gezien van grote hoogte.

Kloven en vlaktes

Lijn loopt, lijn ontmoet,
kruist, vertakt naar links.

Draaikolken, 
die alleen van jou zijn.

Dit is geschiedenis

Twee metgezellen
vormen je bestaan
en als je goed kijkt 
vormen ze zelf mee.

(Handen)


 

Achtergrondruis (naar Luka Bloom)


En weer gaat er een geweer af - achtergrondruis 
Twee kinderen dood in een gestolen auto - achtergrondruis 
Diep in de nacht schreeuwt een jongen - achtergrondruis 
Een familie treurt bij een voortijdig graf - achtergrondruis 

Je hoort het geschreeuw tussen beide kampen 
en de kogel raakt steeds doel, 
maar kijk in iemands ogen en vind 
dat tranen bij iedereen gelijk zijn. 

Een explosie is niet echt een achtergrondruis 
en iemands laatste woorden zijn meer dan achtergrondruis. 
Het geluid van brekend bot, geen achtergrondruis. 
Een Moeders woorden van genade, meer dan achtergrondruis. 

Wat weet ik in godsnaam! – ik roep om liefde 
Wat kan ik in godsnaam doen! - ik roep om liefde 
Wanneer zoals elk kind de stem van de liefde nodig heeft, 
hebben wij een nieuwe taal nodig, 
de woorden van liefde. 

Background Noise 

So another gun goes off-background noise 
Two kids killed in a stolen car-background noise 
A young man screams in the dead of night-background noise 
A family mourns by an early grave-background noise 

You hear the cries of the different sides 
The bullet hits again, take a look in anybody’s eye 
Our tears are all the same, our tears are all the same 

No shattering explosion is background noise 
A man or a woman’s final words are more than background noise 
The sound of somebody’s breaking bones-more than background noise 
A mother’s graceful words of mercy-more than background noise 

What the hell do I know-crying out for love 
What the hell can I do-crying out for love 
When every singly child needs to hear the voice of love 
We all need a new speech-the words of love 

 
KOAN


Zie de kleine strenge bolletjes,
met harde klikjes botsen ze
met vaste hoekjes kaatsen ze.
In hun handjes ligt de toekomst,
alleen is mijn rekenlineaal te klein.

De kleine strenge genen staan
keurig op een rijtje en
spellen met elkaar slechts één woord
en woord na woord slechts één zin, 
hoofdstuk, boek.

-Overleven-
ik overleef
jij overleeft etc.

Het geeft toch geen pas,
de genen en de bolletjes.
Worden ze wel serieus genomen?

Er is geen mens die 
een atoom heeft begrepen.
En als je goed kijkt lijken ze 
wel steeds leger en leger
en ingewikkelder.
Geen bolletjes, 
maar waarschijnlijkheidswolkjes.

Maar vooral heel veel leegte.
Misschien is het de leegte die zich
samenbalt en zo materie vormt.

En was het niet altijd zo geweest?
Eerst was er leegte en de waaiende geest
en toen licht
en aarde

Misschien reiken al die bolletjes en genen 
elkaar de hand om zichzelf en ons
de kans te geven om…………….. HA!


dat is de vraag van het leven!


 

Te bang om stil te staan


(zeer vrij naar Stef Bos)

Kon ik maar!
Als er één ding hetzelfde blijft,
is het de verandering,
die je -als het mes-
op de strot wordt gezet,
zo direct is hij je nabij.

En was er enige rust,
dan is die nu
wel weggespoeld.

Hou ik daarom zoveel van
de stromende beken en de
watervallen.
De golven op het strand,
die sissend terugtrekken,
na een aanval op een
zandkasteel.

Stilstand is een luchtkasteel,
een stilgezet glad oppervlak,
terwijl de druppel is gevallen.

Het nu is een illusie,
een moment later en ze is vertrokken,
tenzij
ze met je meereist.

Leer mij, 
stil te staan terwijl ik ga,
ik zie geen andere weg.


 

Over deuren


Merkwaardig,
de mensen en hun hokjes.
Eerst veilig in het holletje,
de deurtjes dicht
en dan door een kiertje
naar buiten kijken.

Er zijn spinnen,
die achter een deurtje
op hun prooi wachten,
deurtje open
prooi erin
deurtje dicht.
Zogezegd,
een ongenode gast.

Eerst is er niets,
dan zij er kamertjes,
met hun functietjes, 
en eigen schuttinkjes.
En dan zet iedereen 
de deur op een kier,…..

want het is toch maar alleen,
tussen de vier muren.


 

Je neemt de tijd


Bijna is het pijn, verveling
die je terug brengt naar verbazing.
Om met een snotneus, schrale keel
kloppend voorhoofd
glazig voor je uit te staren,

je neemt de tijd weer eens,

en ineens 
valt je een klein
dingetje op, 
een woppertje of zo,

toch aardig 
zo’n dingetje.


 

Vertrouwen


Ik stel mij voor
een klein kommetje
met daarin
een mooi glazen kogeltje, 
dat rust.

Dat is vertrouwen

Hoe zouden we ooit
zo passief kunnen worden, terwijl
we toch bruisen van vertrouwen.

Of is vertrouwen moed?
Omdat je gewoon de ene 
voet 
voor de 
andere zet.

Zouden we het domheid kunnen
noemen? 
Want, immers, hou jezelf 
toch niet voor de gek.

Of is vertrouwen geloven, 
omdat diep onder alle angsten
toch een waterbron moet zijn.

En als die opdroogt?

Dan is vertrouwen willen, gewoon
stomweg willen dat het zo zal zijn,

dus is vertrouwen stampvoeten.


Comments