nl‎ > ‎gedichten‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Enigszins droeve gedichten

Eens wuifden de palmbladeren


Eens wuifden de palmbladeren 
en werd hij welkom geheten 
als een vorst, 
als de hoop. 

Een ezel als rijdier, 

eens zag ik een ezel 
met zijn koppige nieuwsgierigheid. 

Eens zag ik veel ezels 
met luidende bellen om hun hals 
passeerden ze me 
op het smalle bergpad. 

Tussen de vele ezels, 
al dat luiden 
en mooie kleuren 
gedrapeerd over die ezels, 

maar ook zware last 
en bloed op vacht, 
lastdier.

 
En dan sneeuwt het


De steen valt 
altijd 
naar beneden. 

Waar is de uitzondering? 
Ik vraag om de uitzondering, 
niet om gehoorzaamheid 
en schreeuw tegen de wetten, 
het weten, 
dat onze dromen doodt. 
(En andere doet ontstaan?) 

Laat me Don Quichote zijn, 
die de wiek slaat, 
wentelende wieken, 
tandraderen, malende 
molenstenen 
van oorzaak en gevolg. 
Laat me de wiek slaan. 

En dan sneeuwt het 
op de eerste dag in januari 
en statig, de parade 
van ontelbaar vele, witte 
donssoldaatjes. 

Ineens zijn er, 
die uit de stoet opzij gaan 
en zelfs terug, 
om daarna in een lus 
gehoorzaan verder te gaan dalen. 

Zo hoop ik in dit jaar 
even, eens 
een klein beetje 
omhoog te vallen.

 
Gebed


licht breekt 
scheef door 

een kier in de 
andere wereld 

klein stof speelt 
en wentelt 

een hap lucht 
onderwaterperspectief

 
Van zes zijden


Heb jij niet alles gezien 
met jouw altijd open ogen 
-muren- 

Voor jou houd ik geen illusie vol 
van anders lijken 
groter, sterker 
wijzer. 

En ook de naaktheid, 
alles heb je gezien. 

Van zes zijden keek jij 
en ik kon vluchten 
achter een deur, 
dan zag jij weer. 

En nu ik je verlaten heb, 
ik het metaal 
dat jouw hart opende 
aan een vreemde overgaf, 

heb jij je afgesloten 

en zelfs de straat 
trekt haar wenkbrauwen op 
in ontoegankelijkheid. 

Wat eens aankomst was, 
nu doorgangsroute.

 
Ongeneeslijk nieuwsgierig



ongeneeslijk nieuwsgierig
ik zou haast zeggen
dat zonder noviteit
de mens sterft

alsof we in de branding staan
de grens waar het verstarde week wordt
vlak voordat de chaos valt

en zonder deze prikkeling 
de zinloosheid
en uitgeblust

alsof we in de branding staan
die vuur kan worden
en ons zodanig uitteert
dat we hologig jagen 
van nieuwigheid tot nieuwigheid
en nergens rust meer vinden kunnen


 

Comments