nl‎ > ‎gedichten‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Enigszins dromerige gedichten

Vanuit het grijs


Luie grijze zee 
zonder temperatuur 

lucht is één met water 
nog geen scheiding 
alles wolk - geen wolk 

kleine zwarte boom 
op eilandje 
wijst met takkenpruik 
naar links 

boot piept en kraakt 

nee. ik zweef 
en het is geen zee 
het is een meer 

en vanuit het grijs 
gaan we kleuren bouwen 

de eerste lijken het mooist. 

 
Beweging


In de verte wandelen 
de statige hoogspanningsmasten 
met grote stappen door het land, 
de reuzen van deze tijd 
die elkaar de touwen toewerpen. 

Boven zweeft een luchtballon 
de omgekeerde waterdruppel, 
de zwijgende toeschouwer. 

Waar valt hij heen? 

 
Het was alleen in dromen


Het was alleen in dromen 
dat een hand de mijne zocht 
als was het doelgericht 

een ja, 

en dat ik dromend en verbaasd 
-hoe kon dit nu toch waar zijn- 
het dof verdriet al voelde 
en wakker werd in eenzaamheid. 

Nu zit ik in de trein 
en jouw voet zoekt de mijne 
en vindt 

en als de trein dan verder gaat 
zie ik je hand nog wuiven 
en rij dan vrolijk op mijn fiets 

getweeëlijk 
de ochtendlucht weer in. 

 
nichtje


duizend woordjes
brabbel je

als zeepbelletjes

je kijkt ze na
met een fronsje
op je gezicht


 

Reizen


Reis, 
naar het hart van 
je medemens 
en terug. 

Wees, 
een klankbord 
tril rustig mee, 
kaats terug. 

Hoop, 
dat je een spoor 
van kleine, lichte 
kraaltjes nalaat. 

Weet, 
dat je niet alles 
kunt helen en laat de 
schuld zover niet komen. 

 
HOPI gebed


Laat,
me reizen in schoonheid 
en laat mijn ogen 
het paars en rood van 
de late zon zien.

Geef,
mijn handen het respect 
voor alles dat je hebt gemaakt 
en geef mijn oren de scherpte
om je stem te horen.

Leer,
mij de lessen, 
verborgen in elke rots,
elk blad.

Ik zoek kracht, niet om te strijden, maar om altijd
helder naar mezelf te zien. Dat ik mag gaan met 
een helder oog en met schone handen.
(vrij naar een HOPI gebed naar de grote geest)


 

Achter de horizon 


(vrij naar “Into the West”)

Mijn lief,
leg nu je vermoeide hoofd 
te rusten.
De nacht is dichtbij,
de reis bijna voorbij.

Je kunt slapen nu,
en dromen,
van allen die je zijn voorgegaan.
Ze roepen,
uit de verte
vanaf de kust,
achter de horizon.

Ik zie de tranen op je gezicht.
Je zult zien,
dat al je zorgen zullen verdwijnen
en al je angsten voorbijgaan.
Het is alsof je slaapt 
in mijn armen.

Wat zul je zien,
voorbij die horizon?
Wij horen alleen de witte meeuwen 
roepend boven de zee,
zien een bleke maan boven
het water. 
En de schepen zijn gekomen
en brengen je thuis.

Alles zal veranderen in zilverglas.
Als lichten op water,
gaan alle zielen voorbij.

Het mag zijn dat de hoop, 
lijkt verdwenen,
in het duister,
in de vallende schaduw,
weggedrukt uit de herinnering
ontkend in de tijd.

Zeg dat niet,
niet dat dit het einde is.
De witte kust roept achter de horizon
alsof hij zeggen wil,
dat we elkaar weer zullen zien.
Want je slaapt hier in mijn armen.

Wat zie je,
achter de horizon?
Wij horen alleen de meeuwen 
roepen boven de golven en
zien een bleke maan 
boven de zee. 
En de schepen zijn gekomen
en brachten je thuis.

Alles is veranderd in zilverglas.
Als lichten op water,
Trekken de zielen voorbij, 
achter de horizon.


 

Ag zilver


Ag zilver,
rood staat zo mooi bij je
en goud ook.

Altijd weer dat goud,
bezongen zonlicht,
karaat en meer van dat,
staven goud houden de economie
overeind.

Maar dan, 
niemand weet hoeveel 
beelden jij hebt teruggegeven,
de spiegelaar, 
de echte speler met het licht, 
die warmte en stroom kan doorgeven, 
zoals niemand het kan.

Niemand weet hoeveel beelden jij hebt gedragen,
altijd weer,
miljoenen zilverkorrels, 
maken het blad van een plant
gezicht, de berg,
de stoere militair
met borstelige snor,
en het naakt,
de rondheid van de heup,
ondeugend zilver,
altijd weer.

Goud voor de kegeltjes, zilver voor de staafjes
goud voor de zon, zilver voor de maan,
ik wil ze beiden naast elkaar, een etmaal lang.

Geen dag zonder nacht.


 

Rare tegenwereld


Rare tegenwereld,
die weigert op te houden,
totdat ik mijn neus stoot.

Alleen een paar dieren en de mens
doorzien je,

en als je valt
breekt een wereld in stukken,
maar in elke scherf
zie ik steeds weer een geheel.

Wisseltruc van oog en oor,
maar niet van 
boven en beneden

en daarom ben ik niet mijzelf, 
daar in de tegenwereld.
En mocht het toch 
tot een ontmoeting komen, 
dan zal ik mezelf de hand niet kunnen drukken.


 

Muziek


Als de muziek speelt,
trillen dan mijn hersens letterlijk mee?

Als het ware, 
want golven van zwakke, electrische stroompjes
en alles wat daaraan vastzit,
kaatsen van schedel naar schedel
en weer terug.

Het lijkt wel touwtjespringen in mijn hoofd,
mooie staande golven.

Misschien trillen jonge hersenen 
anders dan oude, 
bijvoorbeeld, ze hebben wat
meer nodig om te trillen.

Zouden de hersenen dan een beetje los gaan trillen,
zodat er weer beweging in de zaak komt.
Een soort schudden van kaarten,
eens kijken wat eruit komt……

Leuk, dat hersenen zichzelf
af en toe een beetje
in beweging houden.

Comments