nl‎ > ‎gedichten‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Enigszins grappige gedichten

Vervelen, deel 1


Ik vraag me wel eens af 
tijdens het eten van een schaaltje rauwkost 
wanneer het kauwen langer duurt 
zo lang 
-in feite- 
dat je bewust wordt 
van dat malen, 
dat je zogezegd 
even een machine bent geworden. 

En dan met iets van een glazig oog 
starend achter zo'n tafeltje 
verder vermalend. 

Dan vraag ik me dus af of 
een olifant, die toch vele uren per dag, 
droog stro of in ieder geval, 
harde saaie plantendelen 
moet fijnmalen 

zich niet 
te pletter verveelt! 

 
Vervelen, deel 2


Al een hele tijd staar ik naar de lucht, 
al jarenlang, 
of zelfs bijna mijn hele leven lang 

en steeds hoop ik dat 
er nog eens een UFO komt, een echte 
ongelofelijke, 
onbegrijpelijke, 
aan alle regels waaraan een UFO 
zou moeten voldoen beantwoordende 
UFO 

te weten, stilstaan 
kleuren heen en weer 
en dan met grote snelheid in bochten wegflitsen 
alsof iets nog onbegrijpelijkers hem achter de hielen zit 
die hem achter Jupiter een ontzettend 
pak op zijn sodemieter geeft 

en terecht, 

want ik wacht al een 
ongelofelijke en onbegrijpelijk roteind 
van een tijd. 

 
Dieren op de kermis


De suikerspin 
vlucht weg voor mijn lippen 
en laat 
- en passant- 

een vleug zoetigheid na, 

net zoals de inktvis 
dat met inkt doet. 

Ik denk 
dat de suikerspin zowaar 
een heel andere kant 
op schiet 
dan wij denken. 

 
Hij staat


Hij staat op het perron 
en gooit de hele wereld om, 
met gebaren 
als grote klodders verf, die 
met een te grove kwast 
op doek gesmeten. 

De 8 uur 18 naar de dagopvang 

Eentje loopt pal tot aan de rand 
en buigt naar voren, 
twee rails in goede positie, 
goddank, 
en niet tijdens de nacht met helicopters 
weggehaald. 

Een ander keert de inhoud van zijn tas 
en plaats alles, zittend op het perron en 
met ernst op het gelaat 
terug. 

De forenzen, 8 uur 12, 
staren als toeschouwers, 
hun meerderheid lijkt bijna die van publiek, 
terwijl de spelers op het podium, 
dat meisjes-vrouw, die jongen-man naast haar 
een dreun verkoopt 
met schorre stem en aangedikt gebaar, 
want voor de duidelijkheid. 

En eigenlijk negeert het publiek, 
en staat te praten, te stempelen en leest de krant, 
en alle kunstenaars 
van het andere perron 

waar ze de andere kant op gaan 

voeren hun show op, 
misschien dat engelen kijken.

 
Lucht


Het was één van die vroege morgens
dat het rood van pure gekheid
geen weg meer vond
en uiteenspatte langs de horizon
en als een vlek naar ons toereikte.
En over ons heen

En het was zo’n dag,
dat de trein de één na de ander
uitpoepte.
Zwarte, ronde balletjes
die het station uitrolden
en kleine zwarte rookwolkjes
uitscheidden.

Je zou toch kunnen blijven staan
en de handen naar de hemel werpen
en rondkijken, 
en handen schudden.
Desnoods kniel je en
zing je nasale, eentonige - heilige
liederen.

En dat zál ook wel, denk ik,

……andere mensen voor keutels uitschelden.


 

Wat uit de tenen komt


Wat uit de tenen komt dat is het mooist
de zenuwen reiken zelfs
tot ver, een meter of meer,
om bij al dat moois te komen.
De nieren en de darmen protesteren verontwaardigd, 
kan uit ons dan niets goeds voortkomen?
Het hart klopt nijdig,
ik moet het eten wel altijd 
tot aan jullie voeten brengen, 
tien hongerige monden, 
de kleinste wel het meest.
De hersenen merken bedachtzaam op, 
dat al dat geloop op de tenen, 
alleen maar tot een burn out kan leiden.

Nu zijn de tenen boos 
ze begrijpen het niet helemaal,
jawel men staat weer boven op ons, 
we zijn gediscrimineerd,
men kijkt altijd op ons neer!
Tien boze wiebelende tenen,
dreigen nu met opstappen,
dan sta je nog te kijken.
Dat zal zo’n vaart niet lopen, zegt een voet, 
wij moeten er ook achter staan,
maar ach, ook een goede schoen, 
die houdt de zaak wel bij elkaar.


 

Hoor!


Hoor!
god spreekt,
zij het ietwat
ongearticuleerd,

misschien dat hij, 
het één en ander in min of meer zeer 
algemene termen wil
benadrukken,

zeg maar
met uiterst ruime 
handbewegingen wil
toelichten.

Immers 
waren het niet eerst
de onweerswolken, die
zich als vuisten bolden
naar omhoog,
boze bloemkolen
die zich steeds hoger opkropten.

Het is natuurlijk prachtig
al dat leven in zo’n grote wolk,
die innerlijke strijd 
en dan 
die lange aders licht in een oogwenk

het één, twee, drie,
gelukkig alweer wat verder.

De fietser die zich ongans fietst 
terwijl een cumulonimbus
langzaam 
op zijn pakjesdrager neer gaat zitten.

Deemoedige gezichten in een caravan,
geheel in het hier en nu,
en dan als de regen weg is, de zon weer doorprikt
de ozon fris de neusgaten prikkelt,
klapt het deurtje weer dapper open 
en stapt men even vrolijk 
de wijde wereld weer in…………


 

Neus


En altijd die
karakteristieke hoek,
omgekeerde boeg
die de lucht doorsnijdt.

en toch snel meebewegend
eerst links, dan rechts én
weer naar links,

zoef...

en bij het snelle tasten
van een vinger ineens
indrukbaar 
blijkt te zijn.


 

Buik


Op zich 
heb jij een 
redelijk uitdrukkingsloos gezicht
de navel mogelijk als een starend oog
desgewenst een soort bolle grote kin.

Inwendig, 
ben je een domein van knedingen
en binnen in je zingt het
de trage zang van walvissen.
Het is maar gek,
de zang van bultruggen
in de buik.

Als kind fantaseerde ik al over de buik.
Jona was immers binnen in
de walvis geweest.
Eerst de huig voorbij
en door de slokdarm
de maagklep, plons.

Doet verteren eigenlijk pijn?

Er dan, het hoogtepunt,
de eindeloze tunnels van de darm,
knijpende tunnels.
En zelfs de dikke darm!
Geheimzinnige en donkere zalen.

Over het einde dacht ik niet teveel na,
en ook nooit over hoe het daar rook.
Als kind zit je niet met dat soort dingen.


Comments