nl‎ > ‎gedichten‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Geografische gedichten

Vuur


In het langzaam branden 
van mijn leven,
is het vuur verborgen,

maar elke keer
hap ik naar zuurstof.

Terwijl de vlam,
vertraagd en afgetapt,
eigenlijk voortdurend nagloeit,

kijk ik met grote ogen,
naar zijn oranje-rode en
ongeremde broeder,
die het hout verteert.

Meer kleuren zie ik nog,
blauw, ik meen een zweem van groen, 
soms,
want groen is moeilijk.


 

Betuwe


De zwarte takken in de zon
op hun korte stammen
buigen grillig af
en zelfs weerom,
blijkbaar gesnoeid en
teruggedwongen als
een vergrote versie 
van bonsai.

Het zijn drieëndertig bomen
- voor elk jaar één -
gevangen tussen sloten en
gelegerd op een landpunt.
En om de takken, als gestippeld
door een impressionist,
nog kleine groene blaadjes
en straks de witte bloesems.

Opzij, de zon die daalt
en fel oranje 
zijn scheve licht werpt
tegen de bomengroep
en er doorheen,
zodat dit beeld pas op mijn
netvlies neergesmeten wordt.

En als de bloesem bloeit,
voor korte tijd
perfect van Gogh.
Dan volgt,
het witte dwarrelen, dat is
het huilen van de bomen,
de weemoed
van herfst in de lente.


 

Water


Altijd wil ik naar je kijken,
in riviertjes waar je rond de stenen danst,
in watervallen als wit schuim 
en golven, waarin je oprijst 
en naar voren springt.

Jij bent de meerderheid,
geen land zo groot als het jouwe
en zelfs alle landen bij elkaar,
laten je nog mild glimlachen.
In je koude diepten 
zijn koninkrijken van leven,
die niemand kent.

Ik hou niet op naar je te kijken
en als ik mijn ogen sluit,
spreek je in zestien talen,
immers, bulderen, 
sissen, gorgelen,
klateren, druppelen.

In jou zijn wij geworden,
men zegt dat jij de vormer bent
of beter de omgever,
dat is je specialiteit. 
Daarom dragen we je nu nog mee.

Als ik alle stenen die jij meenam 
zou moeten tellen, alle korrels die jij slijt,
de kloven die je snijdt.

Jij bent los-vast,
geen rotsen -star-
geen lucht -zo ijl-
maar iets er tussen in,
je breekt even snel als je versmelt,
kampioen van promiscuïteit.

En daarom denk ik 
dat jouw ziel die van het leven is
los-vast,
geen orde, geen chaos
ik hou niet op ernaar te kijken.


 

Aarde


Jouw tijd is een andere, 
je kromt je rug in aeonen. 
Water en lucht geven je vorm, 
slijpen je tot felle bergen, 
diepe kloven, 
zachte heuvels, 
zandstranden. 


Dan, ineens, grom je 
met een laaiend rood oog 
kijk je ons aan en 
komt ons halen. 

Verwacht zwaveldampen en mooie 
gele zwavelnaalden. 


De aarde is mooi, 
onzegbaar stil en mooi, 
met je wachter - maan- 
en voeder -zon- 
en toeschouwers -sterren-. 
Je mocht het willen! Toeschouwers? 
De arrogantie 
Maar ik vind van wel, 
en als de aarde opkomt, 
boven de wanden van krater Tycho, 
dan is dat het mooist. 

Alleen voor de superrijken. 


Je bent de ondersteuner, 
waterdrager. 
Uit een waaier van mineralen, 
Tover je nog veel meer gesteenten. 
En ik? 
Ik wil ze namen geven, 
want die klinken als gedichten, 
dioriet, veldspaat, 
jaspis, obsidiaan. 
Elke kiezelsteen lijkt een andere en 
mijn namennet kan ze niet vangen. 
Elke berg heeft een naam en ieder geeft 
een andere. 

Met een hart van ijzer 
werp jij je magnetisch veld dat ons beschermt. 

Jouw kracht is niet de onze, 
Je schuift ons weg. 
En of je het merkt? Ik denk het niet. 
Je schudt ons door elkaar als je een rilling voelt. 

Misschien pers jij je tranen 
in diep gelegen lagen 
en soms kunnen wij ze vinden 
als ons liefste juweel,dat 
met veel facetten glinstert, 
want jouw tijd is niet de onze. 

 
Asheville, North Carolina


Groot doen met klein downtown
een paar grote gebouwen.
Vrolijk zijn de straten niet,
met hun grijs en zwart.
De Amerikaanse stad
die niet mooi wil zijn,
hoezeer het landschap rondom
zijn best doet.

Ik raak zowaar 
de weg nog kwijt.

Ik herinner me de lunch,
laat in de middag,
met mijn palet aan fastfood
moderne spikkels kleur
op de wand.

En vooraan in deze 
voedseltempel,
in glazen kast,
het altaar.
Een originele gitaar van Elvis,
respecteer het land,
zijn zeden en zijn goden.


 

New new york york


Jouw straten halen uit
naar noord en zuid
van links naar rechts

etage na etage
pers je jezelf omhoog
hemelbestormer

laat de winnaars winnen
in je Wallstreet-spel

de verliezer 
staat met uitgestoken hand
in je groeven
de kruimels af te wachten.
 

Wijn


We hadden gekampeerd
op een te nat veld
en een kou die langzaam optrok
zodat je geen oog meer dichtdeed.

En dan in de morgen verder
langs druiventrossen die
in hun geheel 
in je hand pasten.
Zó compleet,
zó compact,
zó stevig en rond,
alsof de druiven
al naar elkaar toe gekropen waren,
schouder tegen schouder
om hun ineenpersing voor te bereiden.
En dat al hun innerlijk,
één zal worden,
één vloeistof
één appellation controlée, één cru
en tezamen één afdronk.

Wijn,
vriend van de late namiddagen
en avonden
van zonsondergangen en haardvuren.
Eigenlijk zijn twee slokken precies voldoende,
het eerste gevoel
dat alles goed is ……even……
als een spons op een stok.


 

Grond


Je kunt zeggen
Ach, aarde,
dat is grond………
en met onhandige bewegingen 
maak je de schoenen schoon.

Grond, onder je voeten,
verende grond,
levende grond, 
zo ingewikkeld, dat niemand het begrijpen kan.
Het geheim ligt onder onze voeten.
oeroude grond, 
50, 100 eeuwen neemt het 
voor een goede grond 
om te rijpen.
Ademende grond, 
die alles en iedereen weer terugneemt,
elk blad dat valt in de herfst,
elk hoofd dat neerligt om te rusten.

Bevolkte grond, met duizend volken in 
eindeloze drukte bezig, meer en 
zwaarder dan de mensheid.
Ook hier is oorlog, het lijkt wel een perfecte
tegenwereld.

Niet voor niets,
hetzelfde woord, aarde
en aarde. 
Wij wonen op de aarde 
en de aarde onder ons.

Comments